Het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur ligt de afgelopen periode flink onder vuur. Er zijn een aantal zaken die zich op dit departement afspelen, waarbij de burger het hoofd vasthoudt. De COVID-19-periode en alles wat daarmee gepaard gaat, zoals de langdurige sluiting van scholen om het aantal besmettingen te voorkomen heeft de situatie alleen maar verergerd. Er is door de COVID-19-pandemie nauwelijks onderwijs verzorgd aan schoolgaanden op alle niveaus.
Sommige scholen, veelal de particuliere scholen, hebben wel online lessen verzorgd waardoor er nauwelijks sprake is van een achterstand in overdracht van de leerstof. Deze scholen kunnen dan wel schoolcijfers produceren zoals die onder normale omstandigheden gegeven worden. Op de openbare- en bijzondere scholen is onduidelijk of er wel of geen online lessen zijn verzorgd.
Het was ook een discussiepunt over het wel of niet verplicht stellen van online onderwijs. Voor kinderen in het binnenland is er absoluut geen sprake van online lessen, dus zijn ze weer het kind van de rekening. De achterstand in het achterland is met de huidige situatie alleen maar groter geworden.
Al geruime tijd wordt gesproken over de vernieuwingen in het onderwijs. Een van deze vernieuwingen is dat leerlingen voortaan zullen doorstromen met een voortgangsrapport. Deze informatie lijkt maar niet los te komen. Met nog enkele weken te gaan in dit schooljaar lijkt men op het ministerie nog niet eens op een lijn te zitten ten aanzien van de vernieuwingen, laat staan om de informatie door te communiceren naar de leerkrachten.
De inspectie, als de bewaker van het onderwijs, blijkt niet betrokken te zijn bij al deze plannen van de departementsleiding. Hoe zal de kwaliteit van ons onderwijs dan worden bewaakt?, vraagt menigeen zich af. Ook schoolleiders en leerkrachten vinden dat zij geen informatie hebben gekregen over het doorstromen en het voortgangsrapport dat zal moeten worden opgemaakt.
Een andere vernieuwing is de invoering van het negende en tiende leerjaar vanaf het komend schooljaar. Leerkrachten hebben gevraagd wie in deze leerjaren les zullen verzorgen, aangezien zij ook daarover niet geïnformeerd zijn. Deze vraag is terecht als de informatiestroom naar hun toe over de aanpak van deze vernieuwing niet opgang komt.
De minister kan mooi zeggen dat de vernieuwingen komend schooljaar worden doorgevoerd, maar zonder het veld bij dit zwaarwichtig besluit te betrekken lijken de woorden van de minister aan dovemansoren gezegd. Met het doorstromen van alle leerlingen betekent dit, dat ook kinderen die de leerstof niet zo goed beheersen of veel verzuimen naar het volgende leerjaar kunnen. Een oneerlijke situatie, want dan gaat de motivatie om te werken voor schoolcijfers er helemaal uit.
De vernieuwingen zouden gefaseerd doorgevoerd moeten worden, omdat de COVID-19-situatie ervoor heeft gezorgd dat de kinderen nauwelijks onderwijs hebben genoten. De slechte financieel-economische situatie in het land maakt ook onzeker hoeveel leerkrachten er aan het begin van het nieuwe schooljaar aanwezig zullen zijn. Vele leerkrachten trekken naar het buitenland om daar hun heil te gaan zoeken.
Er wordt onder andere aangegeven, dat zij met het huidige salaris niet meer uitkomen. In sommige landen zoals bijvoorbeeld Nederland en Sint Maarten is de vraag naar leerkrachten groot. Vandaar dat de leerkrachten zich veelal in deze landen vestigen voor een beter bestaan. Het ministerie zou er beter aan doen om eerst beter zijn huiswerk te maken, voordat zij vernieuwingen doorvoert. De vernieuwingen zouden stapsgewijs moeten plaatsvinden.
Er doen zich nog vele andere zaken voor binnen het Surinaamse onderwijs, want ook bursalen zijn in problemen. Onder andere de studenten die in Cuba studeren wachten al drie jaar op hun geld. Wanneer zij eindelijk hun geld in handen hebben is nog onduidelijk.
De afgelopen periode is de samenleving ook nog geconfronteerd met een aantal ontheffingen op het ministerie. Natuurlijk weten we allemaal dat het een politiek spelletje is waarbij partijgenoten worden geaccommodeerd. Helaas moeten we niet vergeten dat het ministerie van Onderwijs nog altijd een ander karakter heeft dan de overige ministeries. Dit ministerie moet namelijk ervoor zorgen dat onze bevolking en haar kinderen een basisopleiding genieten.
Vanuit verschillende hoeken is continue geroepen, dat het ministerie van Onderwijs gedepolitiseerd moet worden. Hierdoor kan het departement gewoon doorgaan met een beleid ongeacht welke regering gekozen wordt.
Wat zien we gebeuren is dat iedere keer als er een ‘nieuwe’ leiding aantreedt, er verandering komt van het beleid. Met het depolitiseren van dit ministerie kunnen daadwerkelijke onderwijsdeskundigen aangetrokken worden en geen toevallige personen die misschien eens les hebben gegeven of gewoon van baan verzekerd moeten worden. We merken dat op ditzelfde ministerie er speciale ‘functies’ gecreëerd worden om mensen te accommoderen, dit terwijl we meer leerkrachten nodig hebben voor onze kinderen in de diverse districten.
We moeten voor een keer echt ONZE kinderen vooropstellen en niet de belangen van ons, onze familie, onze vrienden en partijgenoten. De jeugd heeft het al moeilijk laat staan als die ziet dat het instituut dat onderwijs moet garanderen zelf ook verward overkomt. Feit is dat de communicatie naar de samenleving toe, in het bijzonder naar de ouders, bar slecht is.
Binnen het ministerie zal men eraan moeten werken dat alle neuzen een richting opkijken, voordat er naar buiten wordt getreden. De COVID-situatie heeft al voor genoeg ellende gezorgd en nu de scholen langzaamaan weer beginnen moet het onderwijs serieus aangepakt worden. Het is geen tijd om te experimenteren, want de huidige generatie is de toekomst!